Logo Printen Logo RSS logo facebook

De vrouwenbeweging formuleert tien prominente eisen in aanloop naar de verkiezingen van 25 mei 2014

1. De vrouwenbeweging formuleert tien prominente eisen in aanloop naar de verkiezingen van 25 mei 2014

Naar aanleiding van de verkiezingen op 25 mei 2014 en in het kader van de post-2015 agenda formuleren de grote vrouwenorganisaties in België [1] 10 gemeenschappelijke verkiezingseisen: 3 eisen per beleidsniveau plus één eis over alle niveaus heen.

Op Europees niveau ijveren vrouwenorganisaties voor:

1. De Europese coördinatrice voor vrouwenrechten en gelijkheid van vrouwen en mannen moet toezien op de uitvoering van de EU-Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, en op de gender mainstreaming van het EU-beleid.

De vrouwenorganisaties zijn ervan overtuigd dat deze post cruciaal is voor een gecoördineerde, allesomvattende werking inzake vrouwenrechten en gelijkheid van vrouwen en mannen in de EU. De Europese coördinatrice, die rechtstreeks verslag uitbrengt bij de Voorzitter van de Europese Commissie, speelt zowel een leidinggevende als coördinerende rol in de Europese instellingen en agentschappen. Zij moet toezien op de uitvoering van de strategie van de Europese Unie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, en op de toepassing van gender mainstreaming in het hele EU-beleid.

Op Europees niveau betreuren we de tendens van meerdere lidstaten om druk te zetten op de moeizaam verworven seksuele en reproductieve rechten van vrouwen, vooral wat betreft het recht op abortus en anticonceptie. Deze situatie is onaanvaardbaar.

De Europese coördinatrice waakt daarom eveneens over de gelijke rechten van vrouwen in de EU en geeft op deze manier een nieuwe impuls aan het gelijkekansenbeleid. De Europese Unie herbevestigt zo haar actieve engagement voor de vrouwenrechten.

2. Een “Europees jaar tegen geweld op vrouwen en meisjes” in 2016, met voldoende middelen voor sensibiliserende en ondersteunende acties op alle niveaus

De vrouwenorganisaties willen dat 2016 uitgeroepen wordt tot het “Europees Jaar tegen geweld op vrouwen en meisjes”. De Europese Unie moet de bewustwording van de geweldproblematiek hoog op de agenda plaatsen, en tegelijkertijd concrete actiemaatregelen voorstellen om een einde te maken aan de verschillende vormen van geweld op vrouwen.

De resultaten van een grootscheepse Europese enquête over geweld tegen vrouwen, uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en gepubliceerd in maart 2014, tonen duidelijk aan dat geweld tegen vrouwen een alomtegenwoordig Europees fenomeen is: een op drie vrouwen werd geconfronteerd met fysiek en/of seksueel geweld sinds de leeftijd van 15 jaar; een op vijf vrouwen werd al eens gestalkt, en 50% van de vrouwen kreeg reeds te maken met een of meerdere vormen van seksuele intimidatie. Het aantal gevallen van geweld op vrouwen in Europa is veel te hoog – er is dringend verandering nodig.

3. ECONOMISCHE ZELFSTANDIGHEID van vrouwen door hun participatie op de arbeidsmarkt te bevorderen, de armoede van vrouwen te bestrijden en de loon- en pensioenkloof weg te werken.

Economische zelfstandigheid van vrouwen is van cruciaal belang om vrouwen de kans te geven om op gelijke voet met mannen keuzes te maken in het leven, en om gelijkheid tussen vrouwen en mannen effectief te realiseren. Het is daarom noodzakelijk om de kwalitatieve werkgelegenheid van vrouwen te promoten door middel van een effectieve handhaving en versterking van de EU-wetgeving inzake de gelijkheid van vrouwen en mannen.

Echte en volledige economische zelfstandigheid van vrouwen is echter in nog geen enkele EU-lidstaat gerealiseerd. Hardnekkige genderkloven in loon en pensioen wegen op de economische zelfstandigheid van vrouwen en vergroten het risico op armoede. Volgens de statistieken verdienen vrouwen in de EU nog steeds gemiddeld 16% minder dan mannen. Indien gerichte beleidsmaatregelen en acties uitblijven, ziet het ernaar uit dat het nog 70 jaar zal duren voor de loonkloof gedicht wordt (!).

De Gendergelijkheidsindex van EIGE geeft aan dat vrouwen gemiddeld met een groter armoederisico kampen dan mannen. Meer dan een kwart van de vrouwen in de EU (26%) is arm. 22% oudere vrouwen zitten onder de armoedegrens, tegenover 16% van de oudere mannen. Wat alleenstaande ouders – hoofdzakelijk vrouwen – betreft, gaat het om meer dan één derde.

De arbeidsparticipatiegraad van vrouwen in Europa bedraagt 63%, en ligt dus ver onder het vooropgestelde streefdoel van 75%. Bovendien blijven de werkpatronen de traditionele genderrollen weerspiegelen, met vier keer meer vrouwen dan mannen in een deeltijdse functie.

Op federaal niveau ijveren de vrouwenorganisaties voor:

4. De INDIVIDUALISERING van de sociale & fiscale rechten in plaats van de huidige afgeleide rechten

De vrouwenorganisaties vragen dat het sociale zekerheidsstelsel zo wordt herzien dat de individualisering van de sociale en fiscale rechten voor iedereen een feit wordt. Deze verandering is niet enkel noodzakelijk voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, maar ook voor de sociale rechtvaardigheid én voor het evenwicht in de sociale zekerheid.

De sociale zekerheid is een solidair en collectief verzekeringsstelsel. Ze is gestoeld op bijdragen die men, in tegenstelling tot de verzekeringen in de commerciële sector, niet enkel voor zichzelf betaalt, maar voor de hele gemeenschap.

De regelgeving en uitkeringen in de sociale zekerheidssectoren zijn echter niet gelijk verdeeld. Bij de berekening van de uitkeringen worden diverse categorieën gehanteerd, zoals alleenstaande persoon, persoon met gezinslast (gezinshoofd) en persoon zonder gezinslast (samenwonende). Voor samenwonenden, die steevast de laagste uitkeringen ontvangen, speelt vooral de problematiek van de eigen niet-ontvangen rechten. Personen met gezinslast ontvangen hogere uitkeringen dan de andere categorieën. Deze uitkeringen, of afgeleide rechten, komen ook ten goede aan hun partner die nooit of nauwelijks beroepsactief geweest is en dus nooit of nauwelijks bijdragen betaald heeft. Het resultaat van dit alles is een reeks onrechtvaardigheden: vrouwen worden onrechtstreeks benadeeld ten opzichte van mannen, vrouwen onderling worden in bepaalde situaties verschillend behandeld, en het “modelkoppel” van de werkende man en de huisvrouw blijft bestendigd.

Ook de semi-progressiviteit van de belastingtarieven werkt niet herverdelend tussen vrouwen en mannen. Diverse fiscale voordelen komen in de praktijk voornamelijk aan mannen toe, zoals het huwelijksquotiënt en de progressieve recuperatievormen (de hypotheeklening, bedrijfskosten, levensverzekeringen, pensioensparen, giften, enz.). Hoewel vrouwen gemiddeld minder verdienen dan mannen, betalen ze in verhouding tot hen meer belastingen. De overstap naar de totale individualisering voor de inkomstenbelasting is dus eveneens logisch, al wordt dan bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het lot van de eenoudergezinnen met een lager inkomen. Voor hen kunnen andere technieken soelaas bieden.

5. De BEKRACHTIGING door de federale overheid van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, beter bekend als het VERDRAG VAN ISTANBUL.

Door de bekrachtiging van het Verdrag van Istanbul verbinden landen er zich officieel toe om op te treden en maatregelen te nemen tegen alle vormen van geweld op vrouwen. De vrouwenorganisaties vragen dat België dit verdrag in de komende legislatuur bekrachtigt en dat alle betrokken overheden werken aan de uitvoering ervan. Hoekstenen van het verdrag zijn de preventie van geweld, de bescherming van slachtoffers en de strafrechtelijke vervolging van daders.

De uitroeiing van alle vormen van geweld is een cruciale stap in de verwezenlijking van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De geweldcijfers in België zijn onthutsend: er worden gemiddeld 8 verkrachtingen per dag aangegeven, wat slechts een fractie van het reële aantal is. Slechts weinig slachtoffers van geweld dienen een formele klacht in. Daarenboven ligt de seponeringsgraad ontzettend hoog. Met de uitvoering van dit verdrag wordt België verplicht om onder meer een gecoördineerde en gespecialiseerde opvang voor slachtoffers van seksueel geweld te voorzien, in de vorm van voldoende gemakkelijk bereikbare en laagdrempelige centra. Andere vereisten zijn de organisatie van intensieve opleidingen voor specialisten die werken met slachtoffers en/of geweldplegers, het opzetten van bewustwordingscampagnes, en de erkenning en stimulering van de rol van het maatschappelijk middenveld in de preventie van geweld. De concrete implementatie van de maatregelen van het Verdrag van Istanbul wordt gecontroleerd door een groep onafhankelijke deskundigen (GREVIO), die indien nodig bijkomende maatregelen en aanbevelingen formuleert.

6. Het WEGWERKEN van de NEGATIEVE EFFECTEN van alle (ANTICRISIS)MAATREGELEN, genomen in het kader van het socio-economisch beleid, op de situatie van vrouwen en mannen.

De door de overheid genomen (anticrisis)maatregelen in het kader van het socio-economisch beleid en de bezuinigingen, hebben andere effecten op vrouwen dan op mannen en vergroten de bestaande ongelijkheid. De vrouwenorganisaties vragen dat de negatieve effecten van deze (anticrisis)maatregelen op de gelijkheid v/m weggewerkt worden, in het bijzonder die effecten die armoede en werkonzekerheid met zich meebrengen (bijvoorbeeld huishoudpersoneel met dienstencheques). Daarnaast vragen we een corrigerend overheidsbeleid ter bestrijding van armoede bij vrouwen.

Maatregelen zoals de versnelde degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en de nieuwe definitie van ‘passend werk’ – waarbij werklozen hun uitkering dreigen te verliezen wanneer ze een job weigeren die binnen een straal van 60 km, 4 uur reizen of 12 uur afwezigheid ligt – verzwakken vooral de positie van vrouwen. Maar ook de toename van de armoede onder werkenden en de werkonzekerheid (bijvoorbeeld huishoudpersoneel via dienstencheques) baren ernstige zorgen.

Op regionaal/communautair niveau ijveren de vrouwenorganisaties voor:

7. Meer aandacht voor WERKGELEGENHEID EN VORMING van vrouwen

Op het vlak van werkgelegenheid is het vandaag meer dan ooit noodzakelijk om vrouwen te sensibiliseren en te informeren over de lange termijngevolgen van hun loopbaankeuzes (en de impact hiervan op hun pensioen). We moeten blijven vechten tegen “werkloosheidsvallen” die negatieve gevolgen hebben op vrouwen ( zoals bv. deeltijds werk) en niet zwichten voor de verleidingen van het systeem van ‘mini-jobs’ zoals in Duitsland en Nederland. Daarom moeten voltijdse tewerkstellingen voor vrouwen aangemoedigd worden.

Op het vlak van vorming, vragen de vrouwenorganisaties om de volgende maatregelen:
-  Voldoende aanbod aan opleidingen en bijscholingen voor werkneemsters, zowel in de privésector als bij de overheid, zodat vrouwen gemakkelijker doorstromen naar hogere functies ;
-  Sensibiliseringscampagnes die vrouwen informeren over knelpuntberoepen en vrouwvriendelijke opleidingen in deze sectoren, zodat meer vrouwen zich hierdoor aangesproken voelen ;
-  Informatiecampagnes die vrouwelijke werkzoekenden en meer bepaald “herintreedsters” wijzen op de mogelijkheden om hun eerder verworven competenties te laten valoriseren.

8. Om economische zelfstandigheid van vrouwen te realiseren is er nood aan KINDEROPVANG EN SOCIALE ZORGVOORZIENINGEN voor hulpbehoevenden, toegankelijk voor iedereen en aangepast aan de noden van de gezinnen.

Het is een maatschappelijke opdracht van de overheid om een fijnmazig, kwaliteitsvol en voor iedereen toegankelijk zorgaanbod zonder wachtlijsten te realiseren. Dit aanbod moet tegemoet komen aan de reële noden van alle soorten gezinnen, in het bijzonder aan de meest kwetsbaren op de arbeidsmarkt. De kinderopvang en sociale zorgvoorzieningen moeten ook betaalbaar zijn en rekening houden met de gezinsinkomens.

Zorgen voor anderen is vaak verrijkend en schenkt voldoening, maar het moet te allen tijde mogelijk zijn om zorg op een goede manier uit te besteden. Omdat het leeuwenaandeel van de zorg op de schouders van vrouwen rust, worden zij het sterkst geraakt door het gebrek aan kwalitatieve en betaalbare plaatsen in de kinderopvang en zorgvoorzieningen. De zorgnoden nemen bovendien gestaag toe als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen zoals vergrijzing, meer werkende vrouwen, werkende oma’s die niet langer instaan voor de opvang van kleinkinderen,… De realisatie van een evenwichtige combinatie van beroeps- en gezinsleven vereist voldoende betaalbare, toegankelijke en kwaliteitsvolle zorgvoorzieningen.

Het probleem van de kinderopvang in ons land haalde al meermaals de voorpagina’s. In Antwerpen zijn er slechts 25,5 kinderopvangplaatsen per 100 kinderen tussen 0 en 3 jaar, in Charleroi heeft slechts één kind op vijf plaats in de kinderopvang. Deze tekorten belemmeren vooral vrouwen, omdat zij meestal instaan voor de combinatie van werk en gezin. Bovendien kunnen niet alle bevolkingsgroepen in gelijke mate gebruikmaken van kinderopvang en zorgvoorzieningen: alleenstaande ouders, kinderen uit kansarme gezinnen en kinderen met een andere etnisch-culturele achtergrond vallen vaak uit de boot.

9. Een gendergevoelig ONDERWIJSSYSTEEM dat relationele en seksuele vorming (RSV) opneemt in het curriculum, en de strijd aanbindt tegen alle vormen van stereotypen en sociale ongelijkheid

De vrouwenorganisaties vragen dat er werk gemaakt wordt van een gendergevoelig onderwijs. Dit veronderstelt onder meer dat de beroepskrachten kennis hebben van gender en dat er werk gemaakt wordt van een structurele inbedding van relationele en seksuele vorming (RSV) in het onderwijs.

Relationele en seksuele vorming moet in alle graden van het onderwijs (van kleuteronderwijs tot hoger onderwijs) worden aangeboden, aangepast aan het ontwikkelingsniveau van de leerlingen. Een goede relationele en seksuele vorming begeleidt jongeren op een positieve manier in hun seksuele ontwikkeling, leidt tot meer verantwoord seksueel gedrag, en draagt bij tot een daling van ongeplande (tiener)zwangerschappen, van seksueel overdraagbare aandoeningen en van seksueel geweld.
Het is essentieel dat men voor deze relationele en seksuele vorming externen inschakelt die het vormingsbeleid kunnen coördineren, en juiste, neutrale en passende informatie kunnen bezorgen.

Het onderwijssysteem moet gelijke kansen centraal stellen en de zelfontplooiing van ieder kind en iedere jongvolwassene respecteren. Gecoördineerde en aangepaste opleidingen voor alle beroepskrachten in het onderwijs, die kwesties als de gelijkheid van vrouwen en mannen en de strijd tegen alle vormen van stereotypen integreren, zijn noodzakelijk. Meer bepaald gaat het over:

-  Een vorming in gender- en gelijkheidskwesties in de initiële opleiding van onderwijspersoneel, voor onthaalouders en voor werknemers van Centra voor Leerlingenbegeleiding, zodat ze een onderwijsmethode ontwikkelen vrij van genderstereotypen;
-  Pedagogische instrumenten en schoolboeken die vrij zijn van de traditionele genderrollen en alle vormen van stereotypen;
-  De integratie van een genderperspectief in het regulier onderwijs en in alle leerplannen van het hoger onderwijs;
-  Bijzondere aandacht voor voorlichting en begeleiding bij de studie- en beroepskeuze van jongeren, opdat ze hun perspectieven verruimen en genderneutrale keuzes kunnen maken. De seksesegregatie in het onderwijs sijpelt immers maar al te vaak door naar de arbeidsmarkt.

De tiende eis

10. Om deze verschillende uitdagingen te realiseren, vragen de vrouwenorganisaties een COHERENT EN DUURZAAM GENDERBELEID dat rekening houdt met de diversiteit van vrouwen. Dit veronderstelt een duurzame financiering op alle beleidsniveaus, institutionele mechanismen en gender mainstreaming van het beleid.

De uitgangspunten van dit genderbeleid zijn:
- Een nieuw, aangepast en eigentijds samenlevingsmodel waarin betaald werk, zorg, huishouden en vrije tijd zo gelijk mogelijk verdeeld worden onder vrouwen en mannen in al hun diversiteit.

- De erkenning door de overheid van het belang van de realisatie van maatschappelijke gelijkheid v/m en vrouwenrechten als een belangrijke pijler van een duurzame samenleving.

- De integratie van het gelijke kansenperspectief in alle beleidsprocessen. Wij vragen om gender mainstreaming als het instrument voor de v/m- gelijkheid verder door te voeren op alle beleidsniveaus. Dit betekent dat de overheid in alle beleidsplannen en strategieën ambitieuze doelstellingen vooropstelt voor de bevordering van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Hierbij zet de overheid voldoende in op de instrumenten om dergelijke doelstellingen te realiseren: seksespecifieke statistieken, genderindicatoren, impactanalyses, monitoring en evaluatie.

- Genderbudgetting in alle fasen van de budgettaire cyclus (inkomsten en uitgaven). Een gendergevoelige financiering houdt rekening met de respectievelijke situaties van vrouwen en mannen, dit met het oog op de structurele bevordering van de v/m-gelijkheid. Vandaag is genderbudgetting meer dan ooit nodig wegens de negatieve impact van maatregelen genomen in het kader van het socio-economisch beleid op de meest zwakke groepen in de samenleving – vooral alleenstaande vrouwen met kinderen – en op de gelijkheid v/m. Bovendien biedt een herschikking van de bevoegdheden en middelen in het kader van de zesde staatshervorming een uitstekende gelegenheid om van bij aanvang het genderperspectief te integreren.

- Structurele inspraak en een autonome werking van de vrouwenbeweging, waarin expertise, actie én inspraak in het beleid samenvloeien.We vragen dat de overheid voorziet in de nodige middelen om dit te realiseren.

Op 15 mei werden deze eisen voorgesteld aan de pers in aanwezigheid van de voorzitsters van de deelnemende vrouwenorganisaties. De persconferentie had plaats in Amazone.
Meer hierover in dit artikel.

Wil je weten hoe de vrouwenorganisaties de verkiezingen voorbereiden? Bekijk dan het Amazone-dossier "Gender en politieke besluitvorming. Regionale, federale en Europese verkiezingen 2014". [2]