Logo Printen Logo RSS logo facebook

"Gendergelijkheid:samen sterk!" (16 oktober) verslag van het debat (2014)

139. "Gendergelijkheid:samen sterk!" (16 oktober) verslag van het debat (2014)

Op 16 oktober 2014 organiseerde Amazone in samenwerking met Sophia, het Belgisch netwerk voor genderstudies een debat op hoog niveau. Thema was de samenwerking tussen academici genderstudies, vrouwenorganisaties en het beleid. Deze studievoormiddag richtte zich naar actoren in het gelijke kansenbeleid in België. Keynote speakers Prof. Alison E. Woodward (VUB, Co-voorzitster Rhea) en Dr. Lut Mergaert (Senior consultant Yellow Window) leidden het debat in. [1]

Verslag van het debat

Hieronder vindt u het verslag van dit debat. Vraagt ook u zich af hoe we de samenwerking tussen gelijke kansenactoren het best aanzwengelen, dan vindt u hier interessante informatie. De pdf-versie, inclusief de pv’s van de disputanten vindt u in deze bijlage. [2]

MODERATRICE: Nadine Plateau, voorzitster van de Commissie Onderwijs van de Conseil des Femmes francophones de Belgique
PANELLEDEN: Alexandra Adriaenssens, Directrice Direction de l’égalité des chances, Ministère de la Fédération Wallonie-Bruxelles, Hafida Bachir, Voorzitster Vie féminine, Prof. Petra Meier, Directrice Steunpunt gelijke kansenbeleid, Universiteit Antwerpen, Magda De Meyer, Voorzitster Nederlandstalige Vrouwenraad, Dr. Charlotte Pezeril, Onderzoekster Observatoire du sida et des sexualités, Université Saint-Louis, Brussel en Inge Van der Stighelen, Stafmedewerkster Amazone.

Na de presentaties van Prof. Alison E. Woodward en Dr. Lut Mergaert gaat het debat van start rond de uitwisseling van ideeën m.b.t. de fluwelen driehoek, vertrekkend van de ervaringen van de zes panelleden. De panelleden zijn afkomstig uit zowel de overheid, de academische wereld als het middenveld.
Nadine Plateau vraagt de panelleden om drie vragen te beantwoorden:
- Wat beschouwt u als uw taak binnen de fluwelen driehoek?
- Wat verwacht u van de andere actoren?
- Wat zou voor u de ideale vorm van samenwerking zijn?

Alexandra Adriaenssens begon haar loopbaan bij de Directie Gelijke Kansen, op het moment dat het project Newtonia. Les filles face aux études et aux carrières scientifiques et techniques (2001-2002) al gelanceerd was. De opdrachten van de directie zijn duidelijk gedefinieerd sinds 1994. Alexandra Adriaenssens legt de nadruk op het feit dat zij kon terugvallen op de ervaring en kennis van feministes met een zekere leeftijd die ijverden voor gendergelijkheid in verschillende middens en die konden buigen op een lange en gedegen kennis van het feminisme. Zij belicht zowel het interpersoonlijke als het intergenerationele karakter van deze nauwe contacten. Alexandra Adriaenssens beëindigt haar tussenkomst zeggende dat zij het wenselijk zou vinden moesten er plaatsen kunnen gecreëerd worden die ontmoeting faciliteren met andere bestuursniveaus om het beleid v/m te versterken.

Volgens Nadine Plateau illustreert de tussenkomst van Alexandra Adriaenssens perfect het veranderend karakter van de fluwelen driehoek, zoals dit eerder werd gepresenteerd door Prof. A. E. Woodward.

Hafida Bashir betreurt in eerste instantie het feit dat er een simultaanvertaling ontbrak voor de Engelse presentaties. Zij weet dat dit te wijten is aan het gebrek aan middelen van de vrouwenverenigingen maar voor haar is dit niet aanvaardbaar omdat het niet voorhanden zijn van de informatie in de eigen taal zorgt voor uitsluiting. Hafida Bashir stelt dan kort Vie Féminine voor en het werk dat Vie Féminine levert voor vrouwen uit de minder begoede klasse, op basis van de beginselen van volksopvoeding. Vie Féminine werkt regelmatig samen met onderzoek.st.ers, als aanvulling op het werk dat de eigen studiedienst verricht. Maar deze samenwerking wordt bemoeilijkt door twee problemen: ten eerste is het moeilijk om onderzoeksters te vinden die zich toespitsen op de problemen van deze groep van vrouwen. Anderzijds is het ook niet eenvoudig om de expertise van de vereniging zelf te laten erkennen. En nochtans is, zonder wetenschappelijk te zijn, de kennis van deze groep vrouwen wel degelijk van belang en waardevol. Zo waren bv. de resultaten van het actie-onderzoek « Au féminin précaire » erg overtuigend.

Hafida Bashir benadrukt de terminologische verschuiving van vrouwenstudies naar genderstudies en betreurt dat genderstudies meer op de vlakte blijven en minder aandacht hebben voor de onderliggende sociale realiteit.

Hafida Bachir heeft regelmatiger contact met het beleid en met institutionele overheden. Hoewel deze contacten verlopen binnen bestaande machtsverhoudingen, leveren ze vaak een positief resultaat op. Zo leidde het lobbywerk voor een ministerie voor Vrouwenrechten in de Federatie Wallonië-Brussel tot succes. Een succes, dat vooral te danken was aan feministisch gezinde politicae van de democratische partijen die in de schoot van hun eigen partij voor dergelijke ministerpost ijverden. Eerst heeft één partij “ja” gezegd en nadien zijn andere partijen gevolgd. Relaties met vrouwelijke politici zijn van essentieel belang, want dit is wat het mogelijk maakt om de realiteit van vrouwen uit minder begoede milieus op de politieke agenda te zetten. Dit is een domein waarop informele netwerking echt werkt. Maar wie zegt “informeel”, zegt ook “kwetsbaar”. Maar het wederzijds respect bestaat wel degelijk en maakt het mogelijk dat er vooruitgang wordt geboekt. Ondanks de fragiliteit van informele relaties, vindt Hafida Bashir het niet opportuun dat deze relaties zouden geformaliseerd worden uit vrees dat een formalisering van deze contacten een reproductie van bestaande machtsverhoudingen met zich zou meebrengen.

Voor Magda De Meyer, moet het middenveld zich laten gelden op alle bestuursniveaus (federaal en regionaal) en moeten zij een rol kunnen spelen bij zowel de vormgeving van het beleid als bij de feministische actie. Ongelijkheid blijft één van de belangrijke maatschappelijk problemen en de politieke antwoorden hierop zijn ontoereikend. Ja, we stellen zelfs een achteruitgang vast, aldus Magda De Meyer. Wanneer we bv. het hoofdstukje « Gelijke kansen » in het regeerakkoord bekijken, dan zien we hier goede maatregelen, maar de aandacht voor gendergelijkheid wordt geenszins doorgetrokken in het volledige regeerakkoord. Nochtans bestaat de wet op gender mainstreaming wel degelijk. Sprekend voor de tanende aandacht voor gender is bv. de afschaffing op het niveau van de Senaat van het Adviescomité voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen en van de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling. Magda De Meyer betreurt ook het feit dat op Vlaams niveau het middenveld te weinig wordt geconsulteerd. Zo blijft de gender mainstreaming (met name de toepassing van de gendertoets) van de Vlaamse administraties in handen van de ambtenaren zonder dat de vrouwenbeweging of onderzoek.st.ers hierbij worden geraadpleegd. Daarnaast maken experten en vrouwenorganisaties geen deel uit van de Interdepartementale commissie die het horizontale gelijkekansenbeleid in Vlaanderen dient uit te voeren. Zij betreurt ook dat noch de Vrouwenraad noch andere vrouwenorganisaties worden betrokken bij de structurele werking van het Steunpunt Gelijke Kansenbeleid. Dit illustreert de geringe waardering voor de expertise van vrouwenverenigingen.

Nadine Plateau onthoudt twee grote punten uit de tussenkomst van Magda De Meyer: dat er zich een periode van feministische backlash aankondigt en dat de expertise van middenveldorganisaties te weinig wordt erkend.

Petra Meier opent haar interventie met de vermelding van het van start gaan van de « master in gender en diversiteit », in september 2014. Deze Master is mede het resultaat van 1) een haalbaarheidstudie die Sophia uitvoerde en 2) van de samenwerking tussen de drie componenten van de fluwelen driehoek: de academische wereld, het middenveld en het beleid. De Master is bovendien een overweldigend succes en het aantal inschrijvingen heeft de verwachtingen ver overtroffen.

Petra Meier komt terug op de opmerking van Magda De Meyer m.b.t. de niet-betrokkenheid van de vrouwenverenigingen bij de werking van het Steunpunt GKbeleid. Zij beaamt dit maar geeft aan dat deze beslissing bij de overheid ligt en niet bij de academische partijen betrokken bij het Steunpunt. Zij komt tevens terug op de driehoeksrelatie van de gelijke kansenactoren. Petra Meier staat stil bij het feit dat er een hiërarchische relatie bestaat tussen de verschillende polen van deze driehoek: zo wordt de kennis vanuit de academische wereld steeds hoger gewaardeerd dan deze vanuit het middenveld. Dit is een hiërarchie gebaseerd op wie wat produceert, met de hierbij behorende privileges. Vervolgens onderstreept Petra Meier de relatieve vrijheid van onderzoek.st.ers, bv. t.o.v. de ministeriële kabinetten. Onderzoek.st.ers hebben nochtans de opdracht om kennis te produceren op basis van analyse en zij moeten op een onafhankelijk manier kritiek kunnen leveren op het beleid en op de manier waarop onze maatschappij functioneert. De verschillende functies van de drie polen van de fluwelen driehoek zijn complementair en er zou geen hiërarchische relatie mogen bestaan in termen van de legitimiteit van hun kennis.

Voor Nadine Plateau illustreert de interventie van Petra Meier op een duidelijke manier de hiërarchie in de productie van kennis en onderschrijft dat de kennis van de academische wereld hoger wordt ingeschat dan de kennis aangedragen vanuit de vrouwenbeweging.

Charlotte Pezeril herinnert aan het bestaan van Grabuges, een netwerk van jonge onderzoek.st.ers en studenten/s rond gender. Dit netwerk werd opgericht als tegenwicht tegen het ontbreken van geïnstitutionaliseerde genderstudies aan de Franstalige universiteiten. Nu komt het er op aan om dit proces van institutionalisering aan de universiteiten verder te zetten, een proces dat bijlange nog niet voltooid is. De weerstand tegenover verandering is groot en men gebruikt zelfs seksespecifieke statistieken om op lokaal niveau de actuele situatie te legitimeren. Het aantal vrouwelijke professoren aan de Belgische universiteiten bedraagt momenteel 11% t.o.v. 19% in de totale Europese Unie. De academische autoriteiten storen zich hier geenszins aan en nemen eerder een houding aan van « olie/excellentie drijft altijd boven » zelfs als er een duidelijk/statistisch genderonevenwicht wordt vastgesteld aan de universiteiten. Om feministische waarden te kunnen integreren in de universiteiten, is het volgens Charlotte Pezeril nodig dat het middenveld wordt opgewaardeerd. Nochtans houdt institutionalisering ook een risico in: enerzijds kunnen daardoor thema’s van de politieke agenda worden verwijderd en anderzijds kunnen vrouwenrechten hierdoor worden geïnstrumentaliseerd. De semantische overgang van vrouwenstudies naar genderstudies maskeert ook de sociale machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen en heeft soms de feministische erfenis uitgewist. Charlotte Pezeril vestigt bovendien de aandacht op de verwatering van de fluwelen driehoek: de nieuwe generatie onderzoek.st.ers is niet groot geworden binnen het feministisch milieu van de jaren zeventig. Zij besluit haar interventie met te wijzen op de noodzaak van de intersectionalisering van de genderbenadering: de actoren op het terrein van gender moeten in hun werk andere typen van discriminatie integreren en zij moeten allianties aangaan met andere benadeelde groepen (anti-seksisme en antiracisme bv.).

Nadine Plateau legt vooral de nadruk op het laatste punt : nieuwe vormen van samenwerking tussen vrouwenstudies onderzoek.st.ers en onderzoek.st. van andere sociale bewegingen.

Inge Van der Stighelen belicht de rol van de vrouweninformatiecentra, een rol die minder bekend is in de schoot van het middenveld. Als voorbeeld haalt zij de specifieke collectie van het Amazone Documentatiecentrum aan. Deze collectie refereert aan de expertise van de 3 polen van de fluwelen driehoek, met bijzondere aandacht voor de teksten van de vrouwenbeweging en voor de beleidsdocumenten van de verschillende bestuursniveaus (internationaal, Europees, gelaagd België). Al deze grijze literatuur is voortaan beschikbaar via de virtuele bibliotheek van EIGE. De meerwaarde van dergelijk centrum is dat het de producten van de verschillende actoren voor gendergelijkheid op één plaats verzamelt en blijvend toegankelijk maakt. Daarnaast zijn vrouweninformatiecentra ook producenten van kennis. Zij vormen een tertiaire kennisbron en faciliteren kennisoverdracht. Voor Inge Van der Stighelen kunnen documentatiecentra, dankzij hun collectie en specifieke kennisproductie, ook bijdragen aan de transparantie van de relaties binnen de fluwelen driehoek. Zij besluit haar bijdrage door te verwijzen naar de mogelijke impact van de sociale media: is het ondenkbaar dat in de toekomst virtuele netwerken mede invloed hebben op de politieke agenda? De verschillende actoren van de fluwelen driehoek houden zowel in hun informele als in hun formele relaties best rekening met nieuwe vormen van communicatie.

Nadine Plateau onthoudt hieruit 3 belangrijke punten : de doorgeeffunctie van informatie, de kennisproductie en de stimulering van virtuele netwerken.

Vragen, reacties, commentaren en uitwisseling met het publiek

1. Opmerking van Irene Kaufer, militante feministe:
Het onderwerp zelf van deze studiedag is van essentieel belang : het creëren van een link tussen de academische wereld, het beleid en het middenveld. Maar hoe betrek je de vrouwen uit de straat, om wie het tenslotte toch gaat, bij het debat? Je moet hen actief betrekken en dit is een belangrijke uitdaging. Het gebruik van verstaanbare taal is belangrijk: simultaanvertaling is een vereiste. Wanneer men er van uitgaat dat Engels een « universele » taal is, dan richt men zich in feite enkel tot één bepaald, en wel een academisch, pubiek.

1. Vraag van Tessa Uyttenhove, studente (VUB):
Bestaan er « toolkits » die kunnen gebruikt worden voor de integratie van gender in het universitair onderwijs?

2. Vraag van Nathalie De Bleeckere: de 3 ministers voor gelijke kansen hebben alle drie verschillende bevoegdheden en een verschillende titel. Zou het niet interessant zijn om deze terminologie eens te vergelijken ? Intersectionaliteit is belangrijk, maar moet men toch niet voorzichtig zijn met het maken van amalgamen van competenties ?

1. Over het betrekken van vrouwen uit de straat
Petra Meier: Veel mensen die deel uitmaken van onze maatschappij zijn er zich niet van bewust dat ook zij beschikken over kennis. En ja, daarom is het noodzakelijk dat men ze daadwerkelijk betrekt bij het discours. Men moet alle vormen van kennis waarderen. Hafida Bachir pleit vooral voor actiegerelateerd onderzoek met de betrokken vrouwen. Dit is een langdurig proces van professionele vorming: kennis gaan zoeken bij vrouwen die niet zichtbaar zijn, deze kennis opwaarderen, hen respecteren en hun kennis gebruiken zonder dat deze hen in gevaar brengt of tegen hen keert. Er moet een betere samenwerking komen met de koepels. Niet alle organisaties die aangesloten zijn bij koepelverenigingen zijn organisaties die veldwerk verrichten. Wat is het belang van samenwerking? Hoe vrouwen uit de straat aanspreken zonder hun initiële vraag geweld aan te doen ? De noodzaak om driehoeken te vormen stelt zich scherp binnen de vrouwenbeweging zelf. Samenwerking met alle actoren is nodig.

2. Op de pedagogische toolkits voor universiteiten:
Inge Van der Stighelen : er werden een aantal goede voorbeelden gerealiseerd met de steun van de Federation Wallonië-Brussel. Je kan ook Rosa, Klasse en Çavaria contacteren.
Opmerking vanuit de zaal: Katrien Bruggeman (Vrouwenraad) : vroeger bestond er in elke universiteit een centrum of departement ‘gender en diversiteit’. Verschillende werden afgeschaft maar er bestaan er nog. Zij hebben de taak om deze informatie te doen circuleren binnen de verschillende universiteiten. Maar hun informatie heeft vooral betrekking op onderzoek en minder op onderwijs.
Alexandra Adriaenssens stelt kort de module van de Federation Wallonië-Brussel voor die als titel heeft « Filles-Garçons: une même école? ». Deze module werd ontwikkeld voor de kleuterschool, het lager, middelbaar en hoger onderwijs buiten de universiteit en voor het avondonderwijs.

3. Op de terminologie van de ministeriële portefeuilles
Nathalie De Bleeckere, die de vraag stelde, vervolgt:
1) Vroeger werd m/v-gelijkheid in de administraties behandeld door aparte cellen. Deze cellen hingen direct af van de eerste minister en van de Minister-President, waardoor m/v-gelijkheid een transversale dimensie kreeg. Tegenwoordig hangt alles af van de samenstelling van de ministeriële bevoegdheden : gelijke kansen en onderwijs, gelijke kansen en media, enz. Misschien is er een uitweg mogelijk via een minister voor vrouwenrechten zoals in de FWB ?
2) Het budget voor gelijke kansen verhoogde maar niet de menselijke capaciteit.

Petra Meier deelt de mening van Nathalie De Bleeckere. De ministers of staatssecretarissen voor gelijke kansen krijgen ook veel andere bevoegdheden. Het accent wordt verlegd van legislatuur tot legislatuur. Dit bemoeilijkt inderdaad de structurele uitbouw van een consequent gelijke kansenbeleid.

[1] Bekijk het programma van de studievoormiddag.

[2] Het verslag van dit debat werd opgesteld door Virginie Tumelaire, waarvoor dank. Inge Van der Stighelen maakte de vertaling naar het Nederlands.